Wat zijn de belangrijkste STOPP-NL v2 criteria die je in elke medicatiereview moet checken?
STOPP-NL v2 bevat ruim 100 criteria, maar in de dagelijkse praktijk zijn dit de meest opbrengende: (1) chronisch benzodiazepine- of Z-drug-gebruik > 4 weken, zeker bij valrisico of cognitieve klachten; (2) chronisch PPI-gebruik > 8 weken zonder harde indicatie (Barrett, ulcus, NSAID-gastroprotectie); (3) NSAID's bij hartfalen, eGFR < 50, of comedicatie met anticoagulans/SSRI; (4) anticholinerge middelen (oxybutynine, amitriptyline, hydroxyzine, eerste-generatie-antihistaminica) bij dementie of valrisico; (5) duplicaatvoorschriften binnen één klasse (twee SSRI's, twee benzo's, twee NSAID's); (6) digoxine > 0,125 mg/dag bij eGFR < 30; (7) sulfonylureumderivaten (glibenclamide, glimepiride) bij ouderen vanwege hypoglykemierisico; (8) tricyclische antidepressiva bij ouderen met hartritmestoornissen, glaucoom of prostatisme; (9) langdurig metoclopramide > 5 dagen vanwege extrapiramidale bijwerkingen; en (10) protonpompremmer of NSAID zonder gastroprotectie bij hoog-risico patiënten. STOPP-NL v2 wordt beheerd door Ephor (Expertisecentrum Pharmacotherapie bij Ouderen) en sluit aan op NHG-standaarden, KNMP-richtlijnen en de G-Standaard.
Hoe doe je medicatiebeoordeling gericht op valpreventie bij ouderen?
Vallen is bij ouderen de belangrijkste oorzaak van letsel; medicatie speelt een grote rol. De FRIDs-lijst (Fall-Risk Increasing Drugs) onderscheidt drie hoofdgroepen: (1) psychotrope middelen — benzodiazepines, Z-drugs, antipsychotica, antidepressiva (vooral TCA's en mirtazapine in hogere dosis), opioïden en anti-epileptica; (2) cardiovasculaire middelen — antihypertensiva (vooral bij orthostase), diuretica, alfablokkers (tamsulosine, doxazosine), nitraten en digoxine; (3) overige — anticholinergica, hypoglykemiërende middelen met hypo-risico (sulfonylureumderivaten, insuline) en sederende antihistaminica. Praktische aanpak in een review: tel het aantal FRIDs (meer dan 4 verhoogt valrisico significant), meet bloeddruk liggend en staand om orthostase op te sporen, controleer ACB-score voor anticholinerge belasting, en bouw waar mogelijk af volgens STOPP-NL afbouwdocumenten. Combineer altijd met niet-medicamenteuze valpreventie: krachttraining, vitamine D 800 IE bij deficiëntie, woningaanpassing en regelmatige oogcontrole. De NHG-standaard 'Preventie van valincidenten bij ouderen' en de Veiligheidsmanagementsysteem-bundel valpreventie zijn de Nederlandse referentiekaders.
Hoe pak je polyfarmacie aan bij verminderde nierfunctie (eGFR < 60)?
Bij eGFR < 60 ml/min/1,73m² moet vrijwel elke renaal geklaarde stof opnieuw beoordeeld worden. Praktische werkwijze: stratificeer eerst op CKD-stadium (G3a 45–59, G3b 30–44, G4 15–29, G5 < 15). Belangrijkste medicatie-aanpassingen per stadium: metformine — maximaal 2000 mg bij eGFR 45–59, max 1000 mg bij 30–44, stoppen bij < 30; DOAC's — apixaban en edoxaban hebben dosis-aanpassingen, dabigatran is gecontra-indiceerd bij eGFR < 30, rivaroxaban dosisreductie bij 15–49; NSAID's en COX-2-remmers — vermijden bij eGFR < 30, terughoudend bij 30–60, zeker in combinatie met RAAS-remmer en diureticum (de gevreesde 'triple whammy'); SGLT2-remmers — empagliflozine en dapagliflozine zijn juist nefroprotectief tot eGFR 20, mits geen acute nierschade; ACE-remmers en ARB's — niet stoppen alleen vanwege CKD, wel kalium en kreatinine monitoren; digoxine — sterk dosisreductie nodig, doelspiegel 0,5–0,9 ng/ml; gabapentine en pregabaline — dosisreductie vanaf eGFR < 60; opioïden — morfine en codeïne stapelen bij CKD (kies oxycodon of fentanyl); allopurinol — startdosis 50–100 mg bij eGFR < 30. Controleer ook altijd contrast- of jodiumhoudende middelen vóór beeldvorming. De KNMP-tabel 'Verminderde nierfunctie' en de Nederlandse Federatie voor Nefrologie geven per geneesmiddel actuele dosisadviezen.
Moet je een statine starten of doorzetten bij patiënten van 80 jaar en ouder?
Een veelgesteld klinisch dilemma waarop richtlijnen genuanceerd antwoorden. Voor secundaire preventie (na doorgemaakt myocardinfarct, beroerte/TIA, perifeer arterieel vaatlijden of coronaire revascularisatie) geldt: doorzetten of starten van een statine blijft geïndiceerd, ook boven de 80, zolang levensverwachting redelijk en behandeldoel haalbaar is. STOPP-criterium: een statine ten onrechte níét gegeven na een vaatincident is een START-criterium. Voor primaire preventie (geen vaatziekte in voorgeschiedenis) is het beleid terughoudender: de NHG-standaard CVRM adviseert bij 70-plussers individuele afweging op basis van levensverwachting (richtlijn: > 5–10 jaar te verwachten gezondheidswinst), kwetsbaarheid en patiëntwens; bij kwetsbare 80-plussers zonder vaatziekte is starten meestal niet zinvol. Bij chronische statinegebruikers > 80 zonder vaatziekte mag je deprescribing overwegen, vooral bij polyfarmacie, spierklachten of beperkte levensverwachting (< 1 jaar). Bewijs hiervoor komt onder andere uit de STAREE-trial (loopt nog) en het PREVENTABLE-onderzoek. Praktische STRIP-aanpak: vraag bij élke statine bij een 80-plusser expliciet naar (1) primaire of secundaire preventie, (2) inschatting levensverwachting, (3) bijwerkingen zoals myalgie, en (4) patiëntvoorkeur. Een statine afbouwen kan in één stap (geen rebound), met vier weken later cholesterolcontrole.
Welke anticoagulantia zijn eerste keus bij ouderen met atriumfibrilleren?
Bij niet-valvulair atriumfibrilleren (NVAF) zijn DOAC's (Direct Orale Anticoagulantia) inmiddels eerste keus boven vitamine-K-antagonisten (VKA's), ook bij ouderen. De NHG-standaard Atriumfibrilleren (2017, herzien 2023) en de ESC-richtlijn 2024 adviseren bij CHA₂DS₂-VASc ≥ 2 (man) of ≥ 3 (vrouw) starten met antistolling, met DOAC als voorkeur. Keuze tussen DOAC's bij ouderen: apixaban 5 mg 2dd heeft het gunstigste bloedingsprofiel — vooral minder gastro-intestinale bloedingen en minder intracraniële bloedingen dan VKA — en is daarmee bij kwetsbare ouderen vaak eerste keus. Dosisreductie naar 2,5 mg 2dd bij minimaal twee van: leeftijd ≥ 80, lichaamsgewicht ≤ 60 kg, kreatinine ≥ 133 µmol/l. Edoxaban 60 mg 1dd (30 mg bij eGFR 15–50, gewicht ≤ 60 kg of comedicatie) is een goed alternatief, vooral bij therapietrouw-issues door één-keer-daagse dosering. Rivaroxaban 20 mg 1dd is breed inzetbaar maar geeft iets meer GI-bloedingen. Dabigatran 150 mg 2dd (110 mg bij ≥ 80 jaar of bloedingsrisico) is gecontra-indiceerd bij eGFR < 30. VKA's (acenocoumarol, fenprocoumon) blijven geïndiceerd bij mechanische hartklep, mitraalstenose, ernstige nierfunctiestoornis (eGFR < 15) of antifosfolipidensyndroom. Bloedingsrisico inschatten met HAS-BLED, maar score ≥ 3 is géén reden om antistolling te onthouden — wel reden voor scherpere monitoring en aanpak van modificeerbare factoren (hypertensie, NSAID-gebruik, alcohol). Bij valrisico is antistolling meestal niet gecontra-indiceerd: een patiënt zou ongeveer 295 keer per jaar moeten vallen voordat het bloedingsrisico het beroerte-preventievoordeel overstijgt. Combinatie met antiplaatjestherapie (na PCI) volgt de Europese AUGUSTUS- en MASTER-DAPT-aanpak: zo kort mogelijk triple, daarna duo (DOAC + clopidogrel), na een jaar DOAC-monotherapie.